De aantrekkingskracht van lijden op de fiets

Lijden en afzien fascineert, maar alleen als het vrijwillig is
Leestijd 3 minuten — Do 21 mei 2015
Afzien

Wielrennen genereert meer verhalen dan er wedstrijden zijn. Na honderden kilometers op een stalen ros over de finish komen, heeft dan ook iets episch. Elke zomer weer stemmen miljarden mensen af op het spektakel van de Tour. Hoogstwaarschijnlijk ligt onze fascinatie voor afzien en lijden aan de basis. Hoe meer hoge bergtoppen, kleine klinkerweggetjes, demarrages en valpartijen, hoe hoger de kijkcijfers. Wat bezielt atleten om hieraan te beginnen? Wat doet het met je fysiek en mentaal? Tijdens de avond 'Afzien' deelden twee wetenschappers, prof. dr. Toine Pieters (Geschiedenis van de Farmacie, UU) en sportarts prof. dr. Frank Backx , schrijver Bert Wagendorp en ervaringsdeskundige Maarten Ducrot, hun kijk op lijden in deze sport.

Fietsen is noeste arbeid

Volgens prof. Pieters kunnen we de hedendaagse liefde voor het Tour-circus begrijpen door naar de ontstaansgeschiedenis te kijken. Vanaf de eerste Ronde stond de spanning voor de toeschouwers voorop. De fietsers zelf, vaak boerenknechten, dolven het onderspit. De etappes waren lang, de beklimmingen zwaar. In het begin hadden ze niet eens versnellingen, want volgens de oprichter van de Tour Henri Desgrange deed dat afbreuk aan het lijden. Nog steeds zijn renners helden die diep moeten gaan, maar geen sterren zoals Messi of Ronaldo die tegen vorstelijke salarissen stralen op het voetbalveld. De voetballers willen we zien schitteren, de wielrenners willen we pijn zien hebben. Zij moeten het liefst het onmogelijke waarmaken. Ten koste van alles. Stimulerende middelen en deze sport zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Pas in 1960 wordt de jacht op doping geopend. Pieters stelt dat een schone Tour onmogelijk is en dat het kat-en-muisspel tussen de autoriteiten en de atleten bijdraagt aan de spanning. Doping en leugens horen ook bij de romantiek.

Religie, de duivel, geloof en wilskracht

Oud-wielrenner en éénmalig Touretappe-winnaar Maarten Ducrot maakt aan de hand van een aantal anekdotes vol humor (“Op de 5de dag bij een bergklimming van 12% hoorde ik een raar geluid *ademt zwaar*; dat bleek ik zelf te zijn") duidelijk dat wielrennen in de kern niet zozeer over een atletische prestatie gaat als wel over pijn kunnen lijden. Hij vertelt hoe hij tijdens het opgaan van een col 'zwarte sneeuw' begon te zien. Zijn gezichtsveld vernauwde, alleen de weg was nog verlicht. Een bijna religieuze ervaring tot hij dacht 'wat een ellende'. Zelfmedelijden is de duivel voor elke renner. Na een klapband (“Gelukkig, even rust!”) en snelle wissel (“Veel te snel”) maakt hij twintig seconden goed op de kopgroep. Achteraf op de massagetafel baalt Ducrot. Zonder klapband had hij die seconden vóóruit kunnen rijden. Ondanks zijn gevoel van uitputting onderweg, brachten zijn wil en passie hem tot onverwachte hoogte. Soms als je denkt dat je stukgaat, kan je nog dieper. Daar word je naarmate je carrière vordert steeds beter in.

Ervaring boven wetenschap

Sportarts Frank Backx legt uit dat het zwart voor de ogen van Ducrot een symptoom van centrale vermoeidheid is, waarbij het zenuwstelsel overbelast raakt. Inspanningsfysiologen en sportartsen definiëren afzien als extreme fysieke inspanning die leidt tot spierpijn en vermoeidheid. Deze klachten komen door een tekort aan koolhydraten en glucose, er is simpelweg geen brandstof meer is. In de volksmond noemt men dit ook wel: 'hongerklop', de 'man met de hamer' tegen komen, of 'opgeblazen benen'. Verder is het de individuele en vaak mentale ervaring die lijden, lijden maakt. “We kunnen van alles meten, maar beste maat voor fysiek afzien is toch de ervaring van de sporter zelf” aldus Backx. Het is opmerkelijk dat er over 'afzien' in de sport weinig wetenschappelijke literatuur bestaat. Alleen marathonlopers zijn nog wel eens studieobject, wielrenners niet. De doelgroep is moeilijk te volgen en het blijft een gesloten wereldje. Verzorging door soigneurs vindt plaats in achterafkamertjes (over de reden hiervan kun je speculeren).

Wielrenners lijden helemaal niet

Schrijver Bert Wagendorp is bekend als columnist en schrijver van Ventoux. Hij leest een stuk voor waarin hij de lijdensweg van de hoofdpersoon, een amateurfietser, bergop treffend beschrijft. Elementen uit Backx' en Ducrots verhaal komen erin terug. Ondanks dat lijden literair inspireert, ook hemzelf, eindigt Wagendorp met een kritische noot. Overal ter wereld proberen we het lijden van de mensheid te verminderen, maar in de Tour de France genieten we er van. Fietsen is een verlossing en coureurs hebben het monopolie op lijden. Marathonlopers, roeiers en schaatsers snakken net zo goed naar adem, maar je hoort ze nooit zeggen 'Man, wat heb ik geleden'. De schrijver pleit voor het schrappen van lijden uit het wielerjargon. Het is namelijk niets meer dan een romantische notie, een marketingsstunt, een pr-mogelijkheid. Wagendorp: “Lijden waaraan je zelf desgewenst een einde kan maken is helemaal geen lijden." Uiteindelijk fascineert afzien en lijden alleen als het vrijwillig is. Anders is er niks romantisch aan.

Het avondje afzien kun je hier op elk gewenst moment herbeleven.