De Grote Werk-test

Maakt werk gelukkig?

Laura Mol

Als je LinkedIn mag geloven brengt er maar weinig meer voldoening dan een goede en succesvolle baan. Het lijkt bijna te mooi om waar te zijn... Tijd om daar uit te loggen en in te checken bij de filosofie. Filosofen Marx, Arendt, Foucault en Beaudrillard zetten ons met hun kritische blik op het kapitalisme aan het denken over werk. Het hindoeïsme en boeddhisme geven handvatten over hoe je je werk op een zinvolle manier kan invullen.

"De mens heeft twee dingen nodig voor geluk: liefde en werk, werk en liefde". Psychoanalyticus Sigmund Freud schreef in zijn boek Das Unbehagen in der Kultur dat het de hoekstenen van ons mens-zijn zijn. Als je langere tijd op vakantie bent geweest is het toch fijn om weer aan de slag te gaan. Waarom? Omdat we onze productieve en creatieve energie hebben opgekropt en hongerig zijn om die te gebruiken. Werk bepaalt in hoge mate wie je bent, hoe je jezelf waarneemt en hoe je je aan de buitenwereld presenteert. Werk levert brood op de plank, maar is vooral een vorm van zingeving.

Hoe staan filosofen hier tegenover? Dat is een brede vraag, bijna alle grote denkers hebben immers over arbeid geschreven. Gek genoeg stond werk tot aan de moderne tijd niet echt hoog aangeschreven als vorm van tijdsbesteding. Plato zag fysieke arbeid als iets minderwaardigs, iets voor slaven en vrouwen. Aristoteles dacht dat je alleen gelukkig kon worden als je níet hoefde te werken. Werk leidden volgens deze twee oude Grieken af van wat echt belangrijk was, namelijk filosoferen en politiek bedrijven.

Maakt werk gelukkig en is het belangrijk? Dat ligt er aan. De Duitse filosofen Karl Marx en Hannah Arendt erkennen het plezier dat werk kán brengen, maar ze zijn pessimistisch over de vorm die werk krijgt in een kapitalistisch systeem. Zij stellen dat je al snel een loonslaaf bent, een slachtoffer van een uitbuitend systeem. Mensen hebben behoefte aan creativiteit, ontplooiing en verantwoordelijkheid. Als dat ontbreekt verworden we al snel tot radertjes in de machine, inwisselbaar en oververmoeid op jacht naar 'targets'.

De postmoderne Frans filosoof Michel Foucault bekijkt werk in termen van machtsverhoudingen en stelt dat arbeid ook een manier is om burgers onder de duim te houden. Zijn collega Jean Beaudrillard zet ons aan het denken over het idee van 'vrije tijd', is dat eigenlijk wel een tegenhanger van werken – als we die tijd gebruiken om 'op te laden' zodat we daarna weer fris aan het werk kunnen voor de baas?

Deze grote namen uit de filosofie laten ons inzien dat werk echt niet altijd voor zingeving zorgt, omdat we leven in een kapitalistische consumptiemaatschappij. Maar waar moet een baan aan voldoen om die zingeving wel te krijgen? Het hindoeïsme en boeddhisme geven daar goede handvatten vorm, die heel mindful zijn. Probeer je niet te richten op de uitkomst, maar op het proces. Daarnaast benadrukken deze stromingen de ethische component van werk, draagt het bij aan een betere samenleving en help je anderen?

Als jouw baan je niet gelukkig maakt kan het lezen van het werk van deze filosofen je inzicht geven over waar dat dan aan ligt en tegelijkertijd aanknopingspunten geven over waar je naar op zoek kan gaan. Meer weten? klik hieronder op de uitklappers.

Karl Marx over werk

In de 19de eeuw veranderde de Duitser Karl Marx (1818-1883) het filosofische discours rondom werk. In zijn Economisch-filosofische manuscripten van 1844 schreef hij dat werk een grote bron van plezier kan zijn, dat onze drive om dingen te maken en problemen op te lossen ons mens maken. Wel was hij tégen de vorm die werk krijgt onder het kapitalisme. Alles gaat daarin om winst, producten en productiemiddelen zijn privé-eigendom van ondernemers en hun bedrijven. Wat we maken is niet van ons, maar voor de baas. En daarnaast geef je wat je tot mens maakt – namelijk werk – weg, aan diezelfde baas (en de shareholders). Loonarbeid is volgens Marx daarom 'vervreemdend'.

Daarnaast vond hij dat werk te onzeker was, elke arbeider is vervangbaar onder het kapitalisme. En ze krijgen weinig betaald, terwijl de baas rijk wordt. Marx vindt het dan ook niet gek dat arbeiders in een kapitalistisch systeem ongelukkig worden. Het tegengif ligt in werk dat ruimte laat voor zelfontwikkeling, persoonlijke voldoening en creatieve expressie.

Hannah Arendt en drie vormen van werken

Hannah Arendt (1906-1975) dacht veel na over de menselijke natuur, werk is daar een centraal onderdeel van. Zij onderscheidt drie soorten werk: 'arbeiden', 'werken' en 'handelen'. Allereerst is daar 'arbeiden', zorgen dat je kan (over)leven. Je kleren wassen bijvoorbeeld, of het aanrecht afnemen. Hier komt nooit een einde aan. Je kunt de hele dag schoonmaken en opruimen, maar de volgende dag moet je alles weer doen. Herkenbaar en irritant voor iedereen met een huishouden!

Arendt's tweede vorm 'werken' levert een product op en creëert meer waarde dan alleen overleven. Je kunt het doorgeven aan de volgende generatie, denk aan een tafel, een gebouw, een boek of een film. Het culturele erfgoed van de mensheid is het product van werk.

Al in de jaren 50 was Arendt bezorgd dat het kapitalistisch systeem en de consumptiecultuur een bedreiging was voor 'werken'. Als we alleen maar maken om te consumeren laten we niks achter van betekenis. Alles wordt dan 'arbeiden'. Dat is een probleem, want 'werken' geeft de gedeelde basis voor politiek bedrijven en 'handelen' voor de actie, zoals Arendt deze derde vorm noemt. Het gaat daarbij om iets creëren, niet als reactie op een noodzaak, maar gewoon uit de wens om nieuwe dingen en ideeën in de wereld te zetten. Naast dat de kapitalistische samenleving arbeid boven werk verkiest, biedt ze ook steeds minder mogelijkheden en tijd voor vrije, creatieve actie. Het is een luxe geworden die slechts weinigen zich kunnen veroorloven.

De postmoderne blik van Foucault en Beaudrillard op werk

In de jaren '50 van de twintigste eeuw kwam er een nieuwe stroming in de filosofie op, waarin twijfel en relativering centraal staan. Het is niet dat de waarheid niet bestaat, maar denkers uit deze tijd stellen dat de waarheid altijd een constructie is en gekleurd door macht, ideologie en/of de taal die ons ter beschikking staat. Ook werk wordt door die lens bekeken. De Fransman Michel Foucault (1926-1984) analyseert in zijn boek Surveillir et Punir hoe (loon)arbeid is ontstaan als resultaat van de disciplinering van de volksklassen. Arme mensen werden opgesloten in gevangenissen, werkhuizen, asielen en landloperskolonies. Vaak werden ze daar te werk gesteld. De eerste fabrieken hadden niet toevallig een architectuur die lijkt op een gevangenis. Werk, aldus Foucault, is een middel van overheden en bedrijven om burgers onder de duim te houden.

Zijn landgenoot Jean Baudrillard (1929-2007) richt zich in zijn boek Simulacres et Simulation op de transformatie van werk en productie in postindustriĆ«le samenlevingen. Baudrillard stelt dat werk en productie daarin 'simulacra' zijn geworden, een schim of schijnbeeld, losgekoppeld van hun oorspronkelijke doel om menselijke behoeften te bevredigen. De aard en het doel van werk worden steeds raadselachtiger en ongrijpbaarder naarmate ze opgaan in de hyperreële aard van de consumptiecultuur. Wat doen al die mensen op kantoren achter de computer eigenlijk?

Daarnaast heeft hij een kritische blik op vrije tijd, wat hij een 'complexe vorm' van werk noemt. Die vrije tijd heb je namelijk nodig om 'op te laden', zodat je weer energiek aan het werk kan. En dat doe je vaak door te consumeren of te kopen en o wee als je je vrije tijd zou besteden aan lekker luieren... Echt niets doen is (een) zonde. Werk is niet alleen een noodzaak om te overleven, maar een economische en culturele verplichting. Onze identiteit gaat niet langer om 'wat doe je voor de kost?', maar over 'wat koop je met je zuurverdiende centen?'.

Hindoeïsme en boeddhisme over werk

Wat meer richtinggevende en positieve inzichten staan in de Bhagavad Gita, een centrale tekst van de hindoeïstische filosofie. Daarin wordt werk gezien als een plicht die moet worden uitgevoerd zonder te hechten aan resultaten, een principe dat bekend staat als Karma Yoga. Deze benadering moedigt mensen aan om zich te concentreren op het werk zelf, in plaats van op de beloning die het oplevert. Door op te gaan in moment en de taak die voor je ligt, kan je een gevoel van zowel doelgerichtheid als tevredenheid cultiveren, onafhankelijk van de resultaten.

In de boeddhistische filosofie loopt men het edele achtvoudige pad, oftewel de weg naar verlichting die door de spirituele leider Siddhartha Gautama Boeddha is opgesteld. Een onderdeel daarvan is de 'juiste wijze van levensonderhoud', wat onder meer inhoudt dat iemands werk anderen niet mag schaden en een uitdrukking moet zijn van compassie en wijsheid. Dat geeft te denken over de ethische dimensies van werk. Door je beroep te benaderen met mindfulness, empathie en moraliteit, kan je het een diepere betekenis geven. Boeddha zou je vragen: draagt jouw werk bij aan in stand houden of bevorderen van de samenleving? Dat is dan een beloning op zich.

Laat een reactie achter

Mijn bericht
0/1000
Mijn bericht mag hier publiekelijk worden getoond
Reacties worden anoniem gedeeld

Bedankt!

Je bericht verschijnt zodra deze is goedgekeurd.

Reacties van anderen

Blijf op de hoogte

Op de hoogte blijven van het onderzoek en de ervaringen van anderen? Meld je dan aan voor de speciale Grote Werk-test-nieuwsbrief.

Aanmelden
© 2025 — Studium GeneraleUniversiteit Utrecht
Er gaat iets mis: probeer het opnieuw (code )